Amsterdam 1879-1960 Oosterbeek

Als Xeno Münninghoff als secretaris van de kunstvereniging Pictura Veluvensis van het medelid Agatha Zethraeus verneemt, dat zich in Oosterbeek een kunstschilderes, een zekere Mathilda Jacoba (‘Tilly’) van Vliet heeft gevestigd, schrijft hij haar op 15 juni 1906 een brief, waarin hij haar uitnodigt voor een gesprek met de intentie haar als werkend lid van de vereniging te kunnen inschrijven. Zij heeft zich in dat jaar bij haar moeder in Oosterbeek gevestigd, die aan de huidige Benedendorpsweg een villa heeft gekocht.

Tilly gaat op de uitnodiging in en het blijft niet bij deze eerste ontmoeting. Het is liefde op het eerste gezicht en na een korte verlovingstijd treden Xeno en Tilly aan het einde van hetzelfde jaar nog in het huwelijk.

In de schaduw van haar man werkt zij aan een aanzienlijk oeuvre van portretten en bloemstillevens volgens de afspraak die beiden hebben gemaakt. De een houdt zich bezig met landschappen en de ander met portretten en stillevens.

Tilly van Vliet volgt haar opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Ze heeft haar interesse in de schilderkunst niet van een vreemde. Haar vader, Pieter Johannes van Vliet, is een goed tekenaar.

Tijdens haar huwelijk met Xeno blijft ze actief als schilderes. Ze exposeren regelmatig samen, ook in hun huis Heerdstede aan de Bato’sweg in Oosterbeek.

Ook krijgt ze opdrachten tot het maken van portretten van onder anderen de Arnhemse burgemeester De Monchy. Ook vereeuwigt ze bevriende figuren uit artistieke kringen zoals de dichteres Tony de Ridder, de pianist Daan Droogleever (haar schoonzoon) en de kunstschilder Antoon Markus.

Ze exposeert met de kunstvereniging Pictura Veluvensis en de Oosterbeekse kunstenaarsvereniging Rhijn-Ouwe, die ter gelegenheid van haar 80ste verjaardag in 1960 een ere-tentoonstelling van haar werk organiseert.

Tilly Münninghoff-van Vliet exposeert voor de oorlog regelmatig met de Renkumse vereniging Pictura Veluvensis.